voor het raam van de sieradenwinkel,
waar de freule menig droomuurtje doorbrengt,
ontdekt ze een recente ansichtkaart
uit een verre havenstad
gericht aan de bevolking van jolkapelle
met hartelijke groeten van willem en maleis.
ze loopt de winkel in en ziet
dat het een foto is van een shantikoor
in zeer ongebruikelijke kleding,
dat zo te zien luid en uitbundig zingt.
twee van de met pruiken bedekte koppen
zijn met een pen omkringd.
de freule herkent willem en maleis
ondanks hun zeventiende-eeuwse regentenkleding,
hun gekrulde pruiken en hun snorren.
ze dragen hooggesloten donkere mantels
met kantwerk erbovenuit aan de hals
en ze gooien juist op dat moment
baldadig hun zwarte hoeden in de lucht.
het koor staat op een oud zeilschip,
enkele eeuwen geleden gebruikt
om slaven mee te vervoeren,
dat de naam draagt van een omstreden
slavenjong dat is verwesterst,
namelijk Jacobus Capitein.
het koor noemt zich De Zeeuwen
en is zich van geen kwaad,
door verre voorvaderen bedreven, bewust.
in tegendeel iedereen kijkt heel trots
en met een blik van "had je wat?"
en overal straalt het shantiplezier vanaf.
alleen daarom al herkent de freule
de vermiste mannen slechts met moeite.
ze dragen prachtige kousen die hun kuiten
onverhuld tonen, en hun schoenen
met gespen en strikken glanzen
de verbijsterde freule tegemoet.
ze weet niet wat ze hiervan moet denken
en slentert heel afwezig huiswaarts,
waar ze besprongen wordt door jeanne,
die er ongepoederd, ongekamd, wild uitziet.
ze wendt OI-doofheid voor
- ze weet hoe dat moet- en schrijft
- ze weet hoe dat moet- en schrijft
haar indrukken op om ze later in de middag
te bespreken in het zinkend schip
met de vaste bezoekers op maandagmiddag.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten