terwijl de wereld doordraait, vervuilt,
wegkwijnt, wordt vermoord, zingt
jolkapelle, zingt en dompelt zich onder
in het weldadige bad van welbehagen
dat de vreemdeling met zich brengt.
in plaats van te somberen en kiften,
van hot naar her te rennen
op zoek naar geluk, vijanden en prikkels,
in plaats van te kiften en moedeloos worden,
zich te laten terneerslaan,
veert jolkapelle op en geniet
van zichzelf, van het op plaatselijke schaal
uitstralen van behulpzaamheid en mededogen
zonder aanzien des persoons.
de kronikeur kijkt verbaasd om zich heen
en heeft dag- en nachtwerk aan
het beschrijven en duiden van wat zich
de laatste tijd voltrekt aan wonderbaarlijks.
hij is een beetje vastgelopen
in zijn onderzoek naar het leven van de boer.
die is nog spoorloos en diens vrouw
is niet in het minst bereid mee te werken,
zegt botweg: "laat die trouweloze
doodvallen, oplossen, laat die noorderzonner
verbranden of verdrinken achter de einder!"
dat zijn krasse woorden, maar
ze beschermt zich ermee tegen giftige bitterheid,
meent de kronikeur, die tevens opmerkt
hoe haar taalgebruik aan het veranderen is
van besmuikt, bescheiden, toch aanpakkend,
naar ronduit, naar woest en weerbaar.
ze heeft voor hete vuren gestaan
maar het is alsof ze de laatste tijd
roekeloos een stap naar voren heeft gedaan
en nu zelf in vuur en vlam staat.
de schoonheids- en camouflagesalon
in de oude woning van wiese walla
is gesloten met de bekende
kanten gordijnen van wiese zelf nog.
en geen haan die ernaar kraait.
de jolkapellers zijn toe aan het ontdekken
van hun innerlijke schoonheid.
sedert de kerstdagen zijn alle lantarenpalen
omwikkeld met kunstig gebreide shawls,
al dan niet versierd met wollen kerstballen,
waarop aan boei ontleende teksten als:
"geen groei zonder snoei",
"geen groei zonder snoei",
in alle mogelijke varianten,
want je ziet ook:
want je ziet ook:
"geen bloei zonder groei"
"geen loei zonder koei",
"geen welk zonder kelk",
"geen leven zonder sneven",
en het gaat door met:
"verregen en joel",
"ìk ben óók uniek!",
"keeromme en beef",
"ontmoet en verlaat",
"neem en kom mee",
"sta open en wandel",
"verzeng en herleef",
"verblij en gedij",
"zing, spring, swing",
"verwijf en overleef",
"verregen en joel",
"ìk ben óók uniek!",
"keeromme en beef",
"ontmoet en verlaat",
"neem en kom mee",
"sta open en wandel",
"verzeng en herleef",
"verblij en gedij",
"zing, spring, swing",
"verwijf en overleef",
"over en uit hoera"
"verblind en heers",
"verblind en heers",
"stap op en omarm",
"neem een hapje van mij",
"spring en verpulver",
"neem een hapje van mij",
"spring en verpulver",
"je bent een prachtmens, jij ook",
en zo voort.
alle jolkapelse palen
zijn met dit soort dassen gestrikt.
er komen bewegingen en
tegenbewegingen uit voort.
iedere paal lijkt een ontmoetingsplek
voor gedreven groepen "getuigen"
van toch wisselende samenstelling.
van toch wisselende samenstelling.
de kronikeur haast zich
van de ene shawlpaal naar de andere.
de palen worden aangeduid
met de namen van hun bekleding.
onder de lantaarn "leef!!!!"
hangen veel lijders aan melancholie
en algemene levensklachten rond:
ze raken de shawl eerbiedig aan
en prevelen hun brevieren, verzinnen klanken,
schietgebeden, mantra's en mompelingen
om te bezweren, om uiting te geven
aan de volheid huns harten,
om zich te laven aan de kracht
van de grote elektrieke fallus.
en dat is dan slechts één
van de 123 lantarenpalen waarvan
de kronikeur moet getuigen.
hij bezwijkt welhaast
onder de last van zijn taak.
kan hij iemand in dienst nemen
om hem te helpen en steunen?
de enige die in aanmerking komt
is de poeet...ja hoe gaat
het eigenlijk met hem?
hij vertoont zich niet in de bongerd
sinds jeanne er woont, hoe redt hij zich?
hoe kan hij rust vinden, verkwijnt hij?
aangezien hij nooit opendoet
wacht de kronikeur hem op
in "het zinkend schip" na een dag
waarop hij de ene lantarenpaal
niet meer kan onderscheiden van de andere.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten