vroeg in de morgen, het is niet eens mistig,
geen ochtendnevelen, geen spectaculaire zonsopkomst,
proberen tolma en de boer,
geen ochtendnevelen, geen spectaculaire zonsopkomst,
proberen tolma en de boer,
beiden voor de duvel niet bang,
vergezeld door de fotofilosoof
-want je weet maar nooit wat je tegen kunt komen!-
aan te kloppen op het stoomschip, de engelenboot,
om daar eens poolshoogte te nemen
en uit te zoeken wat de bewoners
eigenlijk uitspoken al die tijd.
ze zijn zich er scherp van bewust
dat ze welicht het paard van troje
hebben binnengelaten in hun onschuld.
ach, vrij van vooroordelen
is geen enkele onderzoeker.
maar waar is de klopper,
waar vinden ze de bel of een toegangsdeur?
als ze de loopplank betreden
kraakt die vervaarlijk onder hun voeten
alsof hij zoveel gewicht niet gewend is.
wong komt nog even niet mee.
hij aarzelt want hij houdt niet
van een nat pak en een huis zonder ingang.
tolma en de boer stappen gewoon door
en laten zich pas tegenhouden
door een hekwerk dat bestaat uit
twee kitscherig gekruiste zwaarden...
of vleugels misschien.
tolma rammelt aan het slot,
of vleugels misschien.
tolma rammelt aan het slot,
wenkt wong, maar de boer
roept luidkeels "hallo, volluk!"
wong schuifelt tegendraads en gegeneerd nabij.
hij heeft nu al last van zeebenen
en het zweet breekt hem aan alle kanten uit.
puffend zet hij zijn hoed af,
waarna zich een fluisterende discussie ontspint
over of "hallo volluk" een juist presentatie is.
"doe dan zelf eens wat, lafaard!"
bijt tolma wong toe en die rammelt dus
ook maar eens aan het zwaardvleugelhek.
ze bedenken opeens dat de engelen
ze kunnen zien en horen
zonder zelf een gedaante aan te nemen.
wat te doen? laten ze zich intimideren,
zetten ze door of verzinnen ze iets anders?
zetten ze door of verzinnen ze iets anders?
helemaal plotseling geeft de stoomfluit
een loeiharde schreeuw, waarop tolma
en wong over elkaar struikelend
de krakende loopplank oprennen.
de boer grinnikt en loeit terug.
struikelend vooral over elkaar
maar ook een beetje over de losse planken
weten tolma en wong de wallenkant te bereiken.
wong is zijn hoed kwijt en durft
die niet te gaan zoeken.
zijn missie zit erop! hij heeft zijn plicht gedaan.
"met geen stok krijgen ze me nog eens
achter die vervloekte engelen aan."
hij maakt zich snel uit de voeten
met tolma kalmpjes achter zich aan.
zij heeft nog nooit de noodzaak gezien
van zich haasten en ook nog
schudt ze haar wijze hoofd tegen bange wong:
"het gaat niet om mij. ik ben
een vrije onvervaarde fotograaf in vredestijd.
het gaat om mijn toestellen."
begint hij alweer praatjes te krijgen.
"maak dan in ieder geval een foto,
zodat er een bewijs is dat we hier waren
en zet die dan in het jolkapellertje
met een oproep voor iedereen,
een wedstrijd, prijsvraag, uitdaging,
loterij of zoiets om inlichtingen
te verkrijgen over de boot en de bewoners ervan!"
"het is een spookschip", rilt wong.
maar even later lopen ze een stukje terug
zodat ze de boot in de verte kunnen zien
en nu maakt tolma met wong zijn scherpste lens
-hij is zelf nergens meer toe in staat-
enkele inzoomfoto's via de zelfontspanner
van hen beiden met het schip op de achtergrond.
als ze een dag later de foto's ontwikkelen
zien ze een dek vol engelen, die glimlachend
wuiven met de boer in hun midden.
de loopplank ligt in duigen in het water.
dan komt de freule melden
dat het schip is verdwenen.
of is het er nooit geweest?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten