het waait en het stormt
in en rond jolkapelle.
willem kan geen rust vinden:
niet alleen voelt hij zich beledigd
door wiese walla
omdat ze hem nooit verteld heeft
dat hij een vondeling was:
-hij is er absoluut zeker van
dat de tekst op haar graf
voor hem bedoeld is.-
hij is ook boos op alle vrouwen
die rondlopen in jolkapelle
en hij zoekt tekenen van verwantschap
in de fotograaf, de boer, de poeet
en zelfs in dies meer.
hij voelt zich geheel omringd
door onverantwoordelijke schoften
die een weerloos kind hebben afgestoten.
dat ten eerste.
en dan: wiese walla aanbad hem dus
en liet dat zo subtiel merken
dat het hem nooit is opgevallen.
hij denkt terug, hij piekert
over zijn kluizenaarstijd,
de periode waarin hij toch zeker
minstens de wijsheid in pacht had.
bezocht ze hem toen?
liet ze iets merken, hielp ze,
redde ze hem? welnee.
welnee welnee...of ziet hij
dingen over het hoofd?
als ze in de buurt kwam,
vaak met takkenbossen
over haar tengere schouders,
hielp hij haar dan?
ze liep wel eens heel erg
dicht langs hem... ja,
en nu herinnert hij zich
dat ze haar vinger
naar haar voorhoofd bracht
en hem iets in het gelaat spuwde.
geen pit of fluim maar een woord,
altijd het zelfde en nooit
lette hij er speciaal op.
er waren zoveel mensen die hem
probeerden aan te spreken, te raken.
nu hij het tafreel nog eens
voor zich haalt ziet hij haar mond
duidelijk articulerend, indringend.
wat wilde ze zeggen, wilde ze
het geheim ontsluieren?
als hij op een ochtend
hijgend en snikkend ontwaakt
uit een droom waarin hij neerzat
en zich niet kon verroeren
omdat zijn benen vergroeid waren
met de gretige aarde
hoort hij haar stem, bijna krijsend
die "i-di-oot" roept.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten