20140818

blaricum jaren '50 de zusteren

lagere school, dorp, vijftiger jaren

we kwamen allemaal uit grote gezinnen.
de oorlog was voorbij en je mocht niet aan iemand vragen
of hij ook wel eens "een mof had gemold".
er werd niet openlijk gesproken over de oorlog.
wel waren er sindsdien veel kinderen geboren,
die allemaal in leven bleven dankzij o.a.
de uitvinding en royale toepassing van penicilline.
ze zaten allemaal bij een van ons in de klas.
het was een 'gemengde school" en ook nog katholiek.
d.w.z. dat het onderwijzend personeel
de handen vol had aan ons, want katholieke kinderen
zijn van nature geneigd tot het slechte.
zeker in gemengd gezelschap.
per gezin zaten er vaak wel 5 of 6 kinderen
op de school. over diverse klassen verdeeld.
als de eerste van een gezin
een voorbeeldig kind was, 
dan hadden de latere daaronder te lijden.
die werd dan ten voorbeeld gesteld,
net als thuis overigens.
als oudste kon je het nooit goed doen:
was je braaf dan had de rest van de kinderschaar
flink last van vervelende voorbeeldstellingen,
was je echter een dondersteen of deugniet,
dan had je de goede naam van het gezin
-en wellicht het bedrijf van je vader- aangetast
en werden je broers en zusters
met argwaan bekeken en bij voorbaat hard aangepakt.
in de zesde klas zaten voorin 4 knapen
die iedere ochtend voor de les begon
om de beurt een pak ransel kregen.
voor al wat ze gingen uitspoken
en misschien ongestraft hadden uitgespookt.

de school stond op 50 m afstand van de kerk.
gewoonte was dat je drukbezette ouders
je tegen 7.15 uur zonder ontbijt de deur uitwerkten,
ruim op tijd voor de mis van 8 uur. 
je ontbeet op school want tevoren mocht je niet eten
in verband met de communie.
tussen de middag at je daar ook je brood.
wij kregen beugelflesjes grolsch mee, waarin thee
-een van de zusters proefde nog bier,
beweerde ze- en we kwamen dan pas
tegen een uur of 17 thuis.
een veilig en kalm dorp
met veel katholieke boeren en middenstanders.
de "openbaren" waren goddeloos, intellectueel,
rijk, artistiek of vrije vogel met zonder uitzondering
verderfelijke opvattingen.
rijp voor de hel.
omdat we een hotel hadden
kwamen we geregeld in aanraking
met kinderen van dat soort.
soms, tamelijk vaak zelfs, 
waren dat heel interessante kinderen,
die dingen durfden en zeiden
die wij niet in ons hoofd haalden.
zulke types wilden we natuurlijk later
in de hemel niet missen.
omdat in de catechismus stond
dat in geval van nood
iedereen mocht en moest dopen,
en wij dus iedere zomer weer
gevallen van nood ontmoetten
-vanwege verblinde of foute ouders-
werd er heel wat afgedoopt in het huisje.
dat huisje was onze slaapplek
tijdens het seizoen.
in de ene kamer sliepen de meisjes:
4 bedden, naast elkaar, 
enkele planken aan de muur voor kleding, 
een wastafel, een potkachel
- er was wel eens een zo vroege pasen 
dat het nog kon vriezen, 
en de dekens lagen op de gastenbedden-,
verder aan drie kanten open ramen en veel,
veel ruimte onder de bedden.
die was van groot belang als we
werden gesommeerd op te ruimen
omdat oma uit lichtenvoorde kwam kijken.
we verstonden haar niet,
ze kende ons niet uit elkaar
en ze knikte altijd goedkeurend.
heel wat anders dan fokje de werkster,
die ons een stelletje verwende,
luie opsodemieters vond en die precies wist
wat voor een rotzooi er onder
die bedden gepropt was.
bij het dopen letten we er goed op
dat we TERWIJL we het water
over het ketterse hoofdje gooiden
de woorden uitspraken: 
"ik doop u in de naam van de vader,
de zoon en de heilige geest."
daarna waren er weer een paar gastenkinderen
verzekerd van een plek in onze hemel.
je had toen ook het voorgeborchte.
dat werd later afgeschaft.
hoe je iets kunt afschaffen, waarin
zoveel ongedoopte onschuldigen zaten
of liever: onschuldig ongedoopten,
dat is me tot vandaag een raadsel.
een van de mysteriën des geloofs.
destijds legde de kapelaan op school uit
dat we ons niet al te veel zorgen hoefden te maken
om die arme ongedoopte kinderen, die er
ook nix aan konden doen
dat hun ouders ketters waren 
die niet om het welzijn van hun kroost gaven.
in het voorgeborchte was het heel plezierig.
je had er alle speelgoed van de hele wereld
waarmee je je makkelijk
een eeuwigheid zou kunnen vermaken
en ook had je mooie kleren, 
de omgeving was prachtig, alleen....
er was één verschil met de hemel:
er was geen snoep!

het huisje bestond uit twee kamers.
je kwam binnen via een klein halletje
met altijd vieze wc.
in de grootste en achterste 
sliepen de meisjes van pasen tot oktober,
in de eerste kamer lagen de 2 broertjes.
's nachts kwam de vader daarbij liggen.
ik herinner me heel wat nachten
waarin we wakker werden
omdat hij op de wc zat te zingen,
kotsen, kokhalzen, grommen en lallen.
we hielden ons allemaal slapend
en luisterden huiverend naar 
" 't zonnetje gaat van ons scheiden,
't avond rood kleurt weer de lucht..."
of "karretje langs de zandweg reed
de maan scheen helder de weg was breed...".


meester van rooy was een kleine man
met een donkere, flamboyante haardos
die rond zijn bewegelijke, driftige gezicht zwierde.
hij is in latere jaren zeer succesvol geïmiteerd
door louis de funès, die het jammer genoeg
zonder pruik moest stellen.
's ochtends in de mis bespeelde hij
met harde hand en woeste gebaren
het orgeltje  in de hoofdbeuk van de kerk.
er was daar wel een normaal orgel aanwezig
maar dat diende op zon- en feestdagen
en werd niet zo afgerost.
tijdens het orgelspel 
liep de meester ook steeds
weg van het orgel om
deze of gene een draai om zijn oren te geven,
dit terwijl hij zijn luide geneurie 
geen moment onderbrak, 
energiek de maat sloeg
en iedereen dwingend aankeek.
hij gaf een penetrante geur af
die zijn onbekommerde persoonlijkheid 
naar behoren accentueerde.
hij was het hoofd van de school,
dus als je door je meester of juf
de klas uitgestuurd was
moest je je bij hem melden.
hij nam je dan mee naar zijn kantoortje
waar hij je ter plekke je gerechte straf toediende.
hij beschikte over leven en dood.
hij bereidde de leerlingen van de laatste klas
die naar het lyceum wilden,
voor op het toelatingsexamen.
dat was een eer.
we werden flink gedrild.
ik zat daar met 6 anderen,
waarvan er slechts twee slaagden,
waarschijnlijk omdat het bijna niet te doen was
het lakse onderwijs in de eerdere klassen
in een paar maanden recht te trekken.
de nietgeslaagden gingen gezellig
met het merendeel van de klasgenoten
naar de mulo in het zusterdorp.
de meisjes naar de nonnen, de jongens
naar een broederschool.
degenen die geslaagd waren gingen 
in verschillende wat verder gelegen steden
naar het lyceum en konden zich daar 
na verloop van tijd wel aanpassen.
de volgende zuster kwam niet 
in het van rooyklasje maar ze werd wel
dikwijls op het kantoortje geroepen
voor kleine diensten of vergrijpen.
dan moest ze bij hem op schoot
komen zitten om, terwijl hij voelde
of haar borsten al gegroeid waren,
te beloven dat ze het nooit meer zou doen.
ze vertelde jaren later dat ze ervan griezelde.
voor de rest moesten we het doen
met de lacherige manier
waarop ze er bijna trots over vertelde.
waarom ze er vroeger niet over sprak
zal wel te maken hebben gehad met de manier
waarop onze ouders stonden
tegenover wat op school gebeurde: 
al wat de meesters deden was wel gedaan.
en als we op ons donder hadden gehad
konden we dat maar beter verzwijgen.
anders kregen we nog een portie.
we kunnen haar niet raadplegen
want zij is er niet meer.


halverwege of eind september
gold als het eind van het seizoen.
dan gingen onze ouders een reisje langs de rijn maken
en kwamen ome jan en tante alie op ons passen.
als ze terugkwamen en hadden geïnformeerd
hoe we ons gedragen hadden -keurig!-
hoorden we veel gegiechel over rüdesheim
en er werden ons plannen medegedeeld
betreffende de strengere aanpak van onze opvoeding,
die helaas en noodgedwongen was verwaarloosd
in de zomer. de touwtjes zouden weer
strak aangetrokken worden. 
dus gedaan was het met...
dat weet ik niet meer en dat vraag ik de zusteren.
ik moest me anders gaan kleden
en naar de kapper, dat zeker.
er moest maar eens een permanentje van komen.
maar dat was later en ik wil het nu hebben
over onze lagere schooltijd.
op een keer namen ze jos linnenbank mee.
opdat hij een beetje zou opknappen
van de wijnfeesten.
hij was namelijk in korte tijd zijn jonge vrouw
en zijn gehandicapte zoon verloren.
ik schat hem 28 jaar oud. hij was kunstenaar, 
maar verkocht weinig in die tijd.
zij namen tafelkleedjes met zijn ontwerp,
boden hem een kamer en eten.
ik zie hem zitten op de keukenstoel, 
gretig soep lepelend
met die in- en inverdrietige,
magere, bleke kop onder een lange baard.
de kamer waarop hij tijdelijk woonde
bevond zich bovenin het hotel.
meestal sliepen we er zelf des winters.
maar er waren kamers genoeg, dus allà!
op een keer keek ik om het hoekje
en zag vreselijke, grote schilderijen,
alleen op doek, in het rond slingeren
waarop allerlei zwaar lijdende mensen
die op christus leken, net als hij.
"Herr Jezus ist auch am Bord!"
riepen de duitsers op de rijnreis.
mijn vader vond dat prachtig.
hij hield van onaangepaste types
die niet, zoals hijzelf, strak in het gareel liepen.
hij raakte altijd vertederd door zwervers,
zonderlingen, koppige boeren, 
paupers en extremisten.
tinus de toeter hoefde niet eens meer
een deuntje te toeteren. 
het noemen van zijn naam, nee
alleen zijn zwijgende aanwezigheid voor de deur
was al voldoende om mijn vader
naar zijn portemonnee te doen grijpen;
schele willem de kolenboer
mocht de hele bar zwartmaken
nadat hij de cokes en atraciet
in de kelder had gestort,
waarna hij met een borrel erbij
mijn vader op de hoogte bracht
van het wel en wee van talloze blaricummers;
boer koekoek zijn bijeenkomsten
brachten hem zelfs in een louche café,
dat ons later streng verboden werd;
schilder wijnstroom heeft hij,
tot die van zijn late liefde
niet meer mocht komen, nooit meer dan 35 cent
gevraagd voor zijn koffie.
en dan kreeg-t-ie er ook nog een koekje bij.
extreme types onder de gasten deden hem goed:
mannen die stiekem een borreltje
om een hoekje lieten neerzetten;
dames die hem steeds weer op kamer 6 ontboden
om de kachel op te stoken;
geparfumeerde francaises, die onafgebroken
van de tot telefooncel verbouwde wc,
die in het privédeel lag, gebruik wilden maken;
opgedroogde schrijvers die zijn verhalen
graag aanhoorden; vrijmetselaars;
actrices die op oude roem teerden 
en iedereen lastigvielen
met reeds vergeelde fotoalbums;
amsterdammers, -om wie hij net als om joden,
altijd geweldig moest lachen. dat was nou humor!- 
en dan de vegetarische oude vrijgezellinnen,
voor wie mijn moeder moeilijk moest koken
-en wel eens smokkelde en dan meesmuilde
als ze het heerlijk hadden gevonden-.
ach hij genoot van al zijn gasten of ergerde zich.
kinderen vond hij hinderen -net als ons.
daar had je wel verschil in:
kinderen van duitsers waren voorbeeldig en
die van amerikanen de ergste.
dat nederlanders het soms bestonden korting
te vragen voor de kinderen, daar had hij plezier in:
"korting? ik zou het dubbele moeten vragen!"
verder had je pensiongasten en hotelgasten.
als je van plan was om langer
dan 4 dagen te blijven,
kwam je in aanmerking voor het pensiontarief.
dat betekende wel dat je je strikt moest houden
aan de voorgeschreven etenstijden.
als om 18 uur de gong ging,
hoorde je onverwijld aan tafel te verschijnen
op straffe van koude soep.
en de boze blik, het negeren uiteraard.
ging dat allemaal goed dan genoot hij
omdat hij bij de gasten ook vaak de waardering vond
die hem door zijn gezin onthouden werd.
één categorie kon echter geen goed doen.
dat was die van door hemzelf betrapte oplichters.
liegen tegen hem was zelfmoord.
het reumafonds en de hartstichting kregen geen cent
meer van hem sinds hij de vertegenwoordigers
ervan op malversaties had betrapt, zoals
het er lekker van nemen op kosten van de stichting.
ook een beroemde pater werd betrapt
op mooipraterij, tegen zijn dochter zelfs
-die zou haar leven moeten geven 
voor de zwartjes in afrika 
en niet zo decadent zitten te zitten-.
hij ging er met de opbrengst van de collecte,
die groot was geweest na zijn gloedvolle
en beschuldigende preek, vandoor.
zonder zijn hotelkosten te betalen ook nog!
dan ging hij door tot en met de bisschop.
en dan was er zijn nimmer aflatende strijd
tegen mensen die een tweepersoonskamer
durfden te vragen terwijl ze niet getrouwd waren.
menigeen die na een gezellig,
drankovergoten etentje om een kamer vroeg
kreeg nors de rekening gepresenteerd
met het verzoek zijn heil onmiddellijk elders
te gaan zoeken want we waren een net hotel
en geen bordeel.
ingeval van twijfel luisterde hij
de tafelgesprekken af. en een vraagje als:
"wanneer ben je jarig?"
kon het koppel al noodlottig worden.
dit standpunt bezorgde hem,
toen de dochteren wat mondiger werden
behoorlijk wat last.
"maar jeanne basilec en van der klei dan?"
hoe redde hij zich daaruit?
soms hield hij zich van den domme, 
soms begon hij over oude mensen
die niet beter wisten of al eeuwen
samenhokten, maar het gemakkelijkst
kon hij ons aan onze moeder overlaten.
die keek ons streng aan en zei dat we
onze grote mond moesten houden 
en voorlopig voor straf dit of dat niet mochten.
dan kregen we nog het verhaal dat ze 
er spijt van had, en pappa ook, ons op een school
voor vervolgonderwijs te hebben gedaan.
zelf werkte ze op die leeftijd al bij vreemden
in de huishouding terwijl de hoofdmeester
nog bij haar ouders had bepleit
dat ze naar de kweekschool kon.
we leerden alleen maar 
eigenwijzer en brutaler te worden daar.


kinderen mogen niet gezien en gehoord worden.
het zijn lastige ondankbare opvreters,
die je het bloed onder de nagels vandaan halen
ook al lig je je hele leven krom voor ze.
altijd brutale opmerkingen.
hoe meer ze leren hoe erger dat wordt.
we moesten dus altijd achter het huisje langs lopen
zodat de gasten geen hinder van ons hadden.
en alleen netjes antwoorden als ons iets gevraagd werd.
ook mochten we niet als eerste zwaaien naar de buren
maar we moesten wel terugzwaaien als zij begonnen.
niet klikken maar wel doorgeven als een ander stout was.


de meester had altijd gelijk
dus je hoefde thuis niet aan te komen
met een verhaal over onterechte bejegening
of zelfs een pak slaag, of erger.
meester nijsen stond erom bekend
iedere week een grote ijzeren prullenbak
vol op deugnieten gebroken linialen
af te leveren.
bij ons thuis zeiden ze dat je
als je op school gestraft was met een pak rammel
je er van pa nog een kon krijgen
want je had zijn naam te schande gemaakt.
als je "het echt niet gedaan" had
dan was dat helemaal niet erg
want dan kon je het beschouwen
als straf voor streken
die niet aan het licht waren gekomen
of zouden komen.

"schiet op, loop hier niet te vervelen
ga naar buiten. jullie weten niet
hoe gelukkig jullie zijn met 2000 meter tuin.
weinig kinderen in nederland hebben zoiets
en nog lopen jullie te zeuren en ruziën."
in de zomer mochten we de tuin niet in,
behalve om het grind te harken.
zo ontgingen ons meestal de kersen.
dan kwam de herfst, maaiden we het gras,
ruimden de bladeren op en dan
konden we schommelen en in het kieteltentje.
de appelbomen leverden niet de verwachte oogst
omdat hannibal ze stripte
en voor die kleine wormstekige appeltjes
waren we ook te verwend.
toen er nog genoeg waren werden ze ingemaakt.
wel was er het hele jaar door de pruimenboom,
die verscholen aan de rand van de tuin stond.
je kon hem via een omweg en het bergje bereiken
en er stil in zitten te lezen
en kijken naar de buren en vooral ook
je verstoppen tegen afwastijd.
op het bergje stond een hoge spar.
dat was een van de exemplaren waarvan de top
was afgezaagd om als kerstboom te dienen.
je kon dus helemaal tot bovenin klimmen
en zo uitkijken over de tuin.
dan was je zelf de top van de boom.


soms hadden de gasten kinderen.
die werden van tevoren al door ons
op leeftijd ingedeeld en in beslag genomen.
dan konden we als er verder geen
oude dames of echtparen waren
met ze de tuin in om op het bergje te spelen,
boompje te klimmen, vlinders te vangen en heel vaak ook
in het huisje te praten over ouders, school en god.


marion werd lastiggevallen door meester van rooy.
we weten tot vandaag niet of ze dat erg vond.
ze was zijn lievelingetje.
mocht ze er over hebben willen praten
dan vond ze thuis toch geen gehoor
want al wat het onderwijzend personeel deed
was welgedaan en mijn vader bekommerde zich
altijd om zijn goede naam dus die kon moeilijk
met een knuppel naar school gaan
om de meester mores te leren.
de meester was een bevlogen onderwijzer,
zat iedere dag in de kerk en was niet voor niets
hoofd van de school, dus
opgehoepeld met je rare praatjes.
je zult het er wel zelf naar gemaakt hebben.
wist haar oudere zuster ervan?
die was nog strenger voor marion dan de ouders.
als iemand vond dat marion
met al haar gehuil, geklaag, gepruil
het aan zichzelf te wijten zou hebben
dan was zij het.
moest die stomme griet maar niet altijd
met zo een dikke pruillip rondlopen
en van die angstige vragende ogen.
dan vroeg je er toch om!
om wat? om slaag en troost.
ontving marion die?
ze werd huilebalk genoemd
omdat ze al vanaf haar geboorte huilde
en daarmee haar hele leven
niet is opgehouden. ze huilde
van de vroege ochtend tot ze
's avonds snikkend in slaap viel
ze huilde van top tot teen,
van luide uithalende snikken
tot ingehouden gepruil met haar dikke lip.
altijd verongelijkt en ook altijd
trachtend zich geliefd te maken,
behulpzaam en opofferend, goedlachs zelfs,
ondanks eigen leed zielig en dapper,
makkelijk af te leiden met een grap,
waarna snel weer tranen
van onmacht en boosheid
omdat ze er niet in slaagde
greep te krijgen op haar leven.
als je probeerde te helpen
en alles had aanhoord
werd je teruggewezen met een
"ja, jij hebt makkelijk praten.
jij bent zo sterk"
en dan zwolg ze verder
in oneindig leed.


op een dag was mijn moeder
opmerkelijk aardig tegen me.
nou dan wist ik het wel!
niet alleen onderbrak ze haar normale gefluister
met marion, ook keek ze me vriendelijk aan.
ik was op mijn hoede.
ze vertrouwde me op samenzweerderige toon toe
dat ze bezorgd was om mijn vader.
hij was ditmaal erg dronken op de brommer gestapt
om definitief bij zijn moeder te gaan wonen.
het gebeurde niet zo vaak meer
dat ze me erbij betrok,
sinds ik woedend had geroepen
dat ik me nooit en te nimmer nog ooit
ergens voor liet inzetten of gebruiken.
dat was nadat ze me de eetzaal had ingestuurd,
waar mijn vader aan het tafeldekken was.
ik moest hem toen verdrietig aankijken
met de onschuldige kinderogen
die zijn lievelingsdochter werden toegedicht en
dan vragen: "pappa waarom doe je ons dit aan?"
ik volbracht de opdracht met grote tegenzin
en zorgen over wat mijn vader
hier in godsnaam op moest antwoorden.
hij streek me over mijn haar en zei:
"kindje, dat zul je later pas kunnen begrijpen."
waarom probeerde ze me weer bij zoiets te betrekken?
omdat er met mij niet te praten was,
probeerde marion het me uit te leggen.
ze waren bang dat hij een ongeluk zou krijgen
want hij was erg dronken en van streek geweest.
na een paar uur werd er aan de voordeur gebeld.
iedereen liep daar altijd gewoon naar binnen,
dus dit was iets bijzonders.
ik moest opendoen.
daar hing mijn vader met een bebloed verband
om zijn hoofd te huilen tussen twee politie-agenten.
hij werd naar de divan begeleid
waarop hij een tijd lag te kreunen
terwijl wij de maaltijd probeerden te gebruiken
alsof er niets aan de hand was.
later kwam de buurvrouw en we moesten de kamer uit.
achter de deur hoorden we haar tegen hem zeggen:
"heb je nou je zin? moet je zien
hoe je eruit ziet met die tulband om je kop."
nu waren ineens niet meer zo bang.
zo kon je het ook zien en zeggen.
ze bracht hem naar het ziekenhuis.
hij had behalve die hoofdwond ook nog
zijn sleutelbeen gebroken
toen hij tegen een boom reed.
hij werd wekenlang in het ziekenhuis gehouden.
wij zochten hem geregeld op,
mijn moeder geen enkele keer.
toen hij thuiskwam kregen we
niet alleen ome jan uit lichtenvoorde over de vloer,
die zijn zuster te hulp schoot,
maar ook en voor betrekkelijk lange tijd
verlopen types, die van de AA bleken te zijn.
in de kamer werd veel gerookt en geschreeuwd,
maar de normale borrel was er niet bij.
niet dat niemand nu plots meer mocht drinken,
nee het zat zo: mijn vader had een ziekte
en die maakte dat hij
bij het geringste druppeltje alcohol
al meteen dronken was.
daar kon hij niets aan doen maar
dat betekende dat hij nooit meer mocht drinken.
dat was geen gemakkelijke opgave
en daarom waren er lotgenoten
om hem te steunen.
iedere dag moesten ze tegen zichzelf
en elkaar zeggen: "24 uur niet."
dat was niet makkelijk.
mijn vader was van toen af aan zelf ook AA-er.
dat betekende dat hij vaak anderen ging steunen.
gelukkig was het allemaal in de herfst gebeurd
zodat hij vanwege weinig gasten 's winters
alle tijd had om de lotgenoten,
die Echte Vrienden waren,
iets waar mijn vader zijn leven lang naar had gesnakt,
te helpen waar hij kon.
omdat het buiten horecaconcurrenten ook vaak
arme mensen betrof, gingen er veel
oude kleren en voedselpakketten mee.
te vaak gebeurde het dat hij plots op pad moest.
dan was er eentje "doorgezakt."
die moest dan weer
op het rechte pad geholpen worden.
vaak ook kwamen de lotgenoten
voor een goed gesprek langs,
soms reeds doorgezakt, vaak ook nuchter en
al dan niet vergezeld van gezinsleden.
mijn vader zakte nooit door
en tegen dat het pasen werd het duidelijk
dat zijn zaak zou gaan lijden
onder dergelijke figuren over de vloer.
sindsdien zagen we ze niet meer
en mijn vader bleef van de drank.








Geen opmerkingen:

Een reactie posten