lagere
school, dorp, vijftiger jaren
we
kwamen allemaal uit grote gezinnen.
de
oorlog was voorbij en je mocht niet aan iemand vragen
of
hij ook wel eens "een mof had gemold".
er
werd niet openlijk gesproken over de oorlog.
wel
waren er sindsdien veel kinderen geboren,
die
allemaal in leven bleven dankzij o.a.
de
uitvinding en royale toepassing van penicilline.
ze
zaten allemaal bij een van ons in de klas.
het
was een 'gemengde school" en ook nog katholiek.
d.w.z.
dat het onderwijzend personeel
de
handen vol had aan ons, want katholieke kinderen
zijn
van nature geneigd tot het slechte.
zeker
in gemengd gezelschap.
per
gezin zaten er vaak wel 5 of 6 kinderen
op
de school. over diverse klassen verdeeld.
als
de eerste van een gezin
een
voorbeeldig kind was,
dan
hadden de latere daaronder te lijden.
die
werd dan ten voorbeeld gesteld,
net
als thuis overigens.
als
oudste kon je het nooit goed doen:
was
je braaf dan had de rest van de kinderschaar
flink
last van vervelende voorbeeldstellingen,
was
je echter een dondersteen of deugniet,
dan
had je de goede naam van het gezin
-en
wellicht het bedrijf van je vader- aangetast
en
werden je broers en zusters
met
argwaan bekeken en bij voorbaat hard aangepakt.
in
de zesde klas zaten voorin 4 knapen
die
iedere ochtend voor de les begon
om
de beurt een pak ransel kregen.
voor
al wat ze gingen uitspoken
en
misschien ongestraft hadden uitgespookt.
de
school stond op 50 m afstand van de kerk.
gewoonte
was dat je drukbezette ouders
je
tegen 7.15 uur zonder ontbijt de deur uitwerkten,
ruim
op tijd voor de mis van 8 uur.
je
ontbeet op school want tevoren mocht je niet eten
in
verband met de communie.
tussen
de middag at je daar ook je brood.
wij
kregen beugelflesjes grolsch mee, waarin thee
-een
van de zusters proefde nog bier,
beweerde
ze- en we kwamen dan pas
tegen
een uur of 17 thuis.
een
veilig en kalm dorp
met
veel katholieke boeren en middenstanders.
de
"openbaren" waren goddeloos, intellectueel,
rijk,
artistiek of vrije vogel met zonder uitzondering
verderfelijke
opvattingen.
rijp
voor de hel.
omdat
we een hotel hadden
kwamen
we geregeld in aanraking
met
kinderen van dat soort.
soms,
tamelijk vaak zelfs,
waren
dat heel interessante kinderen,
die
dingen durfden en zeiden
die
wij niet in ons hoofd haalden.
zulke
types wilden we natuurlijk later
in
de hemel niet missen.
omdat
in de catechismus stond
dat
in geval van nood
iedereen
mocht en moest dopen,
en
wij dus iedere zomer weer
gevallen
van nood ontmoetten
-vanwege
verblinde of foute ouders-
werd
er heel wat afgedoopt in het huisje.
dat
huisje was onze slaapplek
tijdens
het seizoen.
in
de ene kamer sliepen de meisjes:
4
bedden, naast elkaar,
enkele
planken aan de muur voor kleding,
een
wastafel, een potkachel
-
er was wel eens een zo vroege pasen
dat
het nog kon vriezen,
en
de dekens lagen op de gastenbedden-,
verder
aan drie kanten open ramen en veel,
veel
ruimte onder de bedden.
die
was van groot belang als we
werden
gesommeerd op te ruimen
omdat
oma uit lichtenvoorde kwam kijken.
we
verstonden haar niet,
ze
kende ons niet uit elkaar
en
ze knikte altijd goedkeurend.
heel
wat anders dan fokje de werkster,
die
ons een stelletje verwende,
luie
opsodemieters vond en die precies wist
wat
voor een rotzooi er onder
die
bedden gepropt was.
bij
het dopen letten we er goed op
dat
we TERWIJL we het water
over
het ketterse hoofdje gooiden
de
woorden uitspraken:
"ik
doop u in de naam van de vader,
de
zoon en de heilige geest."
daarna
waren er weer een paar gastenkinderen
verzekerd
van een plek in onze hemel.
je
had toen ook het voorgeborchte.
dat
werd later afgeschaft.
hoe
je iets kunt afschaffen, waarin
zoveel
ongedoopte onschuldigen zaten
of
liever: onschuldig ongedoopten,
dat
is me tot vandaag een raadsel.
een
van de mysteriën des geloofs.
destijds
legde de kapelaan op school uit
dat
we ons niet al te veel zorgen hoefden te maken
om
die arme ongedoopte kinderen, die er
ook
nix aan konden doen
dat
hun ouders ketters waren
die
niet om het welzijn van hun kroost gaven.
in
het voorgeborchte was het heel plezierig.
je
had er alle speelgoed van de hele wereld
waarmee
je je makkelijk
een
eeuwigheid zou kunnen vermaken
en
ook had je mooie kleren,
de
omgeving was prachtig, alleen....
er
was één verschil met de hemel:
er
was geen snoep!
het
huisje bestond uit twee kamers.
je
kwam binnen via een klein halletje
met
altijd vieze wc.
in
de grootste en achterste
sliepen
de meisjes van pasen tot oktober,
in
de eerste kamer lagen de 2 broertjes.
's
nachts kwam de vader daarbij liggen.
ik
herinner me heel wat nachten
waarin
we wakker werden
omdat
hij op de wc zat te zingen,
kotsen,
kokhalzen, grommen en lallen.
we
hielden ons allemaal slapend
en
luisterden huiverend naar
"
't zonnetje gaat van ons scheiden,
't
avond rood kleurt weer de lucht..."
of
"karretje langs de zandweg reed
de
maan scheen helder de weg was breed...".
meester
van rooy was een kleine man
met
een donkere, flamboyante haardos
die
rond zijn bewegelijke, driftige gezicht zwierde.
hij
is in latere jaren zeer succesvol geïmiteerd
door
louis de funès, die het jammer genoeg
zonder
pruik moest stellen.
's
ochtends in de mis bespeelde hij
met
harde hand en woeste gebaren
het
orgeltje in de hoofdbeuk van de kerk.
er
was daar wel een normaal orgel aanwezig
maar
dat diende op zon- en feestdagen
en
werd niet zo afgerost.
tijdens
het orgelspel
liep
de meester ook steeds
weg
van het orgel om
deze
of gene een draai om zijn oren te geven,
dit
terwijl hij zijn luide geneurie
geen
moment onderbrak,
energiek
de maat sloeg
en
iedereen dwingend aankeek.
hij
gaf een penetrante geur af
die
zijn onbekommerde persoonlijkheid
naar
behoren accentueerde.
hij
was het hoofd van de school,
dus
als je door je meester of juf
de
klas uitgestuurd was
moest
je je bij hem melden.
hij
nam je dan mee naar zijn kantoortje
waar
hij je ter plekke je gerechte straf toediende.
hij
beschikte over leven en dood.
hij
bereidde de leerlingen van de laatste klas
die
naar het lyceum wilden,
voor
op het toelatingsexamen.
dat
was een eer.
we
werden flink gedrild.
ik
zat daar met 6 anderen,
waarvan
er slechts twee slaagden,
waarschijnlijk
omdat het bijna niet te doen was
het
lakse onderwijs in de eerdere klassen
in
een paar maanden recht te trekken.
de
nietgeslaagden gingen gezellig
met
het merendeel van de klasgenoten
naar
de mulo in het zusterdorp.
de
meisjes naar de nonnen, de jongens
naar
een broederschool.
degenen
die geslaagd waren gingen
in
verschillende wat verder gelegen steden
naar
het lyceum en konden zich daar
na
verloop van tijd wel aanpassen.
de
volgende zuster kwam niet
in
het van rooyklasje maar ze werd wel
dikwijls
op het kantoortje geroepen
voor
kleine diensten of vergrijpen.
dan
moest ze bij hem op schoot
komen
zitten om, terwijl hij voelde
of
haar borsten al gegroeid waren,
te
beloven dat ze het nooit meer zou doen.
ze
vertelde jaren later dat ze ervan griezelde.
voor
de rest moesten we het doen
met
de lacherige manier
waarop
ze er bijna trots over vertelde.
waarom
ze er vroeger niet over sprak
zal
wel te maken hebben gehad met de manier
waarop
onze ouders stonden
tegenover
wat op school gebeurde:
al
wat de meesters deden was wel gedaan.
en
als we op ons donder hadden gehad
konden
we dat maar beter verzwijgen.
anders
kregen we nog een portie.
we
kunnen haar niet raadplegen
want
zij is er niet meer.
halverwege
of eind september
gold
als het eind van het seizoen.
dan
gingen onze ouders een reisje langs de rijn maken
en
kwamen ome jan en tante alie op ons passen.
als
ze terugkwamen en hadden geïnformeerd
hoe
we ons gedragen hadden -keurig!-
hoorden
we veel gegiechel over rüdesheim
en
er werden ons plannen medegedeeld
betreffende
de strengere aanpak van onze opvoeding,
die
helaas en noodgedwongen was verwaarloosd
in
de zomer. de touwtjes zouden weer
strak
aangetrokken worden.
dus
gedaan was het met...
dat
weet ik niet meer en dat vraag ik de zusteren.
ik
moest me anders gaan kleden
en
naar de kapper, dat zeker.
er
moest maar eens een permanentje van komen.
maar
dat was later en ik wil het nu hebben
over
onze lagere schooltijd.
op
een keer namen ze jos linnenbank mee.
opdat
hij een beetje zou opknappen
van
de wijnfeesten.
hij
was namelijk in korte tijd zijn jonge vrouw
en
zijn gehandicapte zoon verloren.
ik
schat hem 28 jaar oud. hij was kunstenaar,
maar
verkocht weinig in die tijd.
zij
namen tafelkleedjes met zijn ontwerp,
boden
hem een kamer en eten.
ik
zie hem zitten op de keukenstoel,
gretig
soep lepelend
met
die in- en inverdrietige,
magere,
bleke kop onder een lange baard.
de
kamer waarop hij tijdelijk woonde
bevond
zich bovenin het hotel.
meestal
sliepen we er zelf des winters.
maar
er waren kamers genoeg, dus allà!
op
een keer keek ik om het hoekje
en
zag vreselijke, grote schilderijen,
alleen
op doek, in het rond slingeren
waarop
allerlei zwaar lijdende mensen
die
op christus leken, net als hij.
"Herr
Jezus ist auch am Bord!"
riepen
de duitsers op de rijnreis.
mijn
vader vond dat prachtig.
hij
hield van onaangepaste types
die
niet, zoals hijzelf, strak in het gareel liepen.
hij
raakte altijd vertederd door zwervers,
zonderlingen,
koppige boeren,
paupers
en extremisten.
tinus
de toeter hoefde niet eens meer
een
deuntje te toeteren.
het
noemen van zijn naam, nee
alleen
zijn zwijgende aanwezigheid voor de deur
was
al voldoende om mijn vader
naar
zijn portemonnee te doen grijpen;
schele
willem de kolenboer
mocht
de hele bar zwartmaken
nadat
hij de cokes en atraciet
in
de kelder had gestort,
waarna
hij met een borrel erbij
mijn
vader op de hoogte bracht
van
het wel en wee van talloze blaricummers;
boer
koekoek zijn bijeenkomsten
brachten
hem zelfs in een louche café,
dat
ons later streng verboden werd;
schilder
wijnstroom heeft hij,
tot
die van zijn late liefde
niet
meer mocht komen, nooit meer dan 35 cent
gevraagd
voor zijn koffie.
en
dan kreeg-t-ie er ook nog een koekje bij.
extreme
types onder de gasten deden hem goed:
mannen
die stiekem een borreltje
om
een hoekje lieten neerzetten;
dames
die hem steeds weer op kamer 6 ontboden
om
de kachel op te stoken;
geparfumeerde
francaises, die onafgebroken
van
de tot telefooncel verbouwde wc,
die
in het privédeel lag, gebruik wilden maken;
opgedroogde
schrijvers die zijn verhalen
graag
aanhoorden; vrijmetselaars;
actrices
die op oude roem teerden
en
iedereen lastigvielen
met
reeds vergeelde fotoalbums;
amsterdammers,
-om wie hij net als om joden,
altijd
geweldig moest lachen. dat was nou humor!-
en
dan de vegetarische oude vrijgezellinnen,
voor
wie mijn moeder moeilijk moest koken
-en
wel eens smokkelde en dan meesmuilde
als
ze het heerlijk hadden gevonden-.
ach
hij genoot van al zijn gasten of ergerde zich.
kinderen
vond hij hinderen -net als ons.
daar
had je wel verschil in:
kinderen
van duitsers waren voorbeeldig en
die
van amerikanen de ergste.
dat
nederlanders het soms bestonden korting
te
vragen voor de kinderen, daar had hij plezier in:
"korting?
ik zou het dubbele moeten vragen!"
verder
had je pensiongasten en hotelgasten.
als
je van plan was om langer
dan
4 dagen te blijven,
kwam
je in aanmerking voor het pensiontarief.
dat
betekende wel dat je je strikt moest houden
aan
de voorgeschreven etenstijden.
als
om 18 uur de gong ging,
hoorde
je onverwijld aan tafel te verschijnen
op
straffe van koude soep.
en
de boze blik, het negeren uiteraard.
ging
dat allemaal goed dan genoot hij
omdat
hij bij de gasten ook vaak de waardering vond
die
hem door zijn gezin onthouden werd.
één
categorie kon echter geen goed doen.
dat
was die van door hemzelf betrapte oplichters.
liegen
tegen hem was zelfmoord.
het
reumafonds en de hartstichting kregen geen cent
meer
van hem sinds hij de vertegenwoordigers
ervan
op malversaties had betrapt, zoals
het
er lekker van nemen op kosten van de stichting.
ook
een beroemde pater werd betrapt
op
mooipraterij, tegen zijn dochter zelfs
-die
zou haar leven moeten geven
voor
de zwartjes in afrika
en
niet zo decadent zitten te zitten-.
hij
ging er met de opbrengst van de collecte,
die
groot was geweest na zijn gloedvolle
en
beschuldigende preek, vandoor.
zonder
zijn hotelkosten te betalen ook nog!
dan
ging hij door tot en met de bisschop.
en
dan was er zijn nimmer aflatende strijd
tegen
mensen die een tweepersoonskamer
durfden
te vragen terwijl ze niet getrouwd waren.
menigeen
die na een gezellig,
drankovergoten
etentje om een kamer vroeg
kreeg
nors de rekening gepresenteerd
met
het verzoek zijn heil onmiddellijk elders
te
gaan zoeken want we waren een net hotel
en
geen bordeel.
ingeval
van twijfel luisterde hij
de
tafelgesprekken af. en een vraagje als:
"wanneer
ben je jarig?"
kon
het koppel al noodlottig worden.
dit
standpunt bezorgde hem,
toen
de dochteren wat mondiger werden
behoorlijk
wat last.
"maar
jeanne basilec en van der klei dan?"
hoe
redde hij zich daaruit?
soms
hield hij zich van den domme,
soms
begon hij over oude mensen
die
niet beter wisten of al eeuwen
samenhokten,
maar het gemakkelijkst
kon
hij ons aan onze moeder overlaten.
die
keek ons streng aan en zei dat we
onze
grote mond moesten houden
en
voorlopig voor straf dit of dat niet mochten.
dan
kregen we nog het verhaal dat ze
er
spijt van had, en pappa ook, ons op een school
voor
vervolgonderwijs te hebben gedaan.
zelf
werkte ze op die leeftijd al bij vreemden
in
de huishouding terwijl de hoofdmeester
nog
bij haar ouders had bepleit
dat
ze naar de kweekschool kon.
we
leerden alleen maar
eigenwijzer
en brutaler te worden daar.
kinderen
mogen niet gezien en gehoord worden.
het
zijn lastige ondankbare opvreters,
die
je het bloed onder de nagels vandaan halen
ook
al lig je je hele leven krom voor ze.
altijd
brutale opmerkingen.
hoe
meer ze leren hoe erger dat wordt.
we
moesten dus altijd achter het huisje langs lopen
zodat
de gasten geen hinder van ons hadden.
en
alleen netjes antwoorden als ons iets gevraagd werd.
ook
mochten we niet als eerste zwaaien naar de buren
maar
we moesten wel terugzwaaien als zij begonnen.
niet
klikken maar wel doorgeven als een ander stout was.
de
meester had altijd gelijk
dus
je hoefde thuis niet aan te komen
met
een verhaal over onterechte bejegening
of
zelfs een pak slaag, of erger.
meester
nijsen stond erom bekend
iedere
week een grote ijzeren prullenbak
vol
op deugnieten gebroken linialen
af
te leveren.
bij
ons thuis zeiden ze dat je
als
je op school gestraft was met een pak rammel
je
er van pa nog een kon krijgen
want
je had zijn naam te schande gemaakt.
als
je "het echt niet gedaan" had
dan
was dat helemaal niet erg
want
dan kon je het beschouwen
als
straf voor streken
die
niet aan het licht waren gekomen
of
zouden komen.
"schiet
op, loop hier niet te vervelen
ga
naar buiten. jullie weten niet
hoe
gelukkig jullie zijn met 2000 meter tuin.
weinig
kinderen in nederland hebben zoiets
en
nog lopen jullie te zeuren en ruziën."
in
de zomer mochten we de tuin niet in,
behalve
om het grind te harken.
zo
ontgingen ons meestal de kersen.
dan
kwam de herfst, maaiden we het gras,
ruimden
de bladeren op en dan
konden
we schommelen en in het kieteltentje.
de
appelbomen leverden niet de verwachte oogst
omdat
hannibal ze stripte
en
voor die kleine wormstekige appeltjes
waren
we ook te verwend.
toen
er nog genoeg waren werden ze ingemaakt.
wel
was er het hele jaar door de pruimenboom,
die
verscholen aan de rand van de tuin stond.
je
kon hem via een omweg en het bergje bereiken
en
er stil in zitten te lezen
en
kijken naar de buren en vooral ook
je
verstoppen tegen afwastijd.
op
het bergje stond een hoge spar.
dat
was een van de exemplaren waarvan de top
was
afgezaagd om als kerstboom te dienen.
je
kon dus helemaal tot bovenin klimmen
en
zo uitkijken over de tuin.
dan
was je zelf de top van de boom.
soms
hadden de gasten kinderen.
die
werden van tevoren al door ons
op
leeftijd ingedeeld en in beslag genomen.
dan
konden we als er verder geen
oude
dames of echtparen waren
met
ze de tuin in om op het bergje te spelen,
boompje
te klimmen, vlinders te vangen en heel vaak ook
in
het huisje te praten over ouders, school en god.
marion
werd lastiggevallen door meester van rooy.
we
weten tot vandaag niet of ze dat erg vond.
ze
was zijn lievelingetje.
mocht
ze er over hebben willen praten
dan
vond ze thuis toch geen gehoor
want
al wat het onderwijzend personeel deed
was
welgedaan en mijn vader bekommerde zich
altijd
om zijn goede naam dus die kon moeilijk
met
een knuppel naar school gaan
om
de meester mores te leren.
de
meester was een bevlogen onderwijzer,
zat
iedere dag in de kerk en was niet voor niets
hoofd
van de school, dus
opgehoepeld
met je rare praatjes.
je
zult het er wel zelf naar gemaakt hebben.
wist
haar oudere zuster ervan?
die
was nog strenger voor marion dan de ouders.
als
iemand vond dat marion
met
al haar gehuil, geklaag, gepruil
het
aan zichzelf te wijten zou hebben
dan
was zij het.
moest
die stomme griet maar niet altijd
met
zo een dikke pruillip rondlopen
en
van die angstige vragende ogen.
dan
vroeg je er toch om!
om
wat? om slaag en troost.
ontving
marion die?
ze
werd huilebalk genoemd
omdat
ze al vanaf haar geboorte huilde
en
daarmee haar hele leven
niet
is opgehouden. ze huilde
van
de vroege ochtend tot ze
's
avonds snikkend in slaap viel
ze
huilde van top tot teen,
van
luide uithalende snikken
tot
ingehouden gepruil met haar dikke lip.
altijd
verongelijkt en ook altijd
trachtend
zich geliefd te maken,
behulpzaam
en opofferend, goedlachs zelfs,
ondanks
eigen leed zielig en dapper,
makkelijk
af te leiden met een grap,
waarna
snel weer tranen
van
onmacht en boosheid
omdat
ze er niet in slaagde
greep
te krijgen op haar leven.
als
je probeerde te helpen
en
alles had aanhoord
werd
je teruggewezen met een
"ja,
jij hebt makkelijk praten.
jij
bent zo sterk"
en
dan zwolg ze verder
in
oneindig leed.
op
een dag was mijn moeder
opmerkelijk
aardig tegen me.
nou
dan wist ik het wel!
niet
alleen onderbrak ze haar normale gefluister
met
marion, ook keek ze me vriendelijk aan.
ik
was op mijn hoede.
ze
vertrouwde me op samenzweerderige toon toe
dat
ze bezorgd was om mijn vader.
hij
was ditmaal erg dronken op de brommer gestapt
om
definitief bij zijn moeder te gaan wonen.
het
gebeurde niet zo vaak meer
dat
ze me erbij betrok,
sinds
ik woedend had geroepen
dat
ik me nooit en te nimmer nog ooit
ergens
voor liet inzetten of gebruiken.
dat
was nadat ze me de eetzaal had ingestuurd,
waar
mijn vader aan het tafeldekken was.
ik
moest hem toen verdrietig aankijken
met
de onschuldige kinderogen
die
zijn lievelingsdochter werden toegedicht en
dan
vragen: "pappa waarom doe je ons dit aan?"
ik
volbracht de opdracht met grote tegenzin
en
zorgen over wat mijn vader
hier
in godsnaam op moest antwoorden.
hij
streek me over mijn haar en zei:
"kindje,
dat zul je later pas kunnen begrijpen."
waarom
probeerde ze me weer bij zoiets te betrekken?
omdat
er met mij niet te praten was,
probeerde
marion het me uit te leggen.
ze
waren bang dat hij een ongeluk zou krijgen
want
hij was erg dronken en van streek geweest.
na
een paar uur werd er aan de voordeur gebeld.
iedereen
liep daar altijd gewoon naar binnen,
dus
dit was iets bijzonders.
ik
moest opendoen.
daar
hing mijn vader met een bebloed verband
om
zijn hoofd te huilen tussen twee politie-agenten.
hij
werd naar de divan begeleid
waarop
hij een tijd lag te kreunen
terwijl
wij de maaltijd probeerden te gebruiken
alsof
er niets aan de hand was.
later
kwam de buurvrouw en we moesten de kamer uit.
achter
de deur hoorden we haar tegen hem zeggen:
"heb
je nou je zin? moet je zien
hoe
je eruit ziet met die tulband om je kop."
nu
waren ineens niet meer zo bang.
zo
kon je het ook zien en zeggen.
ze
bracht hem naar het ziekenhuis.
hij
had behalve die hoofdwond ook nog
zijn
sleutelbeen gebroken
toen
hij tegen een boom reed.
hij
werd wekenlang in het ziekenhuis gehouden.
wij
zochten hem geregeld op,
mijn
moeder geen enkele keer.
toen
hij thuiskwam kregen we
niet
alleen ome jan uit lichtenvoorde over de vloer,
die
zijn zuster te hulp schoot,
maar
ook en voor betrekkelijk lange tijd
verlopen
types, die van de AA bleken te zijn.
in
de kamer werd veel gerookt en geschreeuwd,
maar
de normale borrel was er niet bij.
niet
dat niemand nu plots meer mocht drinken,
nee
het zat zo: mijn vader had een ziekte
en
die maakte dat hij
bij
het geringste druppeltje alcohol
al
meteen dronken was.
daar
kon hij niets aan doen maar
dat
betekende dat hij nooit meer mocht drinken.
dat
was geen gemakkelijke opgave
en
daarom waren er lotgenoten
om
hem te steunen.
iedere
dag moesten ze tegen zichzelf
en
elkaar zeggen: "24 uur niet."
dat
was niet makkelijk.
mijn
vader was van toen af aan zelf ook AA-er.
dat
betekende dat hij vaak anderen ging steunen.
gelukkig
was het allemaal in de herfst gebeurd
zodat
hij vanwege weinig gasten 's winters
alle
tijd had om de lotgenoten,
die
Echte Vrienden waren,
iets
waar mijn vader zijn leven lang naar had gesnakt,
te
helpen waar hij kon.
omdat
het buiten horecaconcurrenten ook vaak
arme
mensen betrof, gingen er veel
oude
kleren en voedselpakketten mee.
te
vaak gebeurde het dat hij plots op pad moest.
dan
was er eentje "doorgezakt."
die
moest dan weer
op
het rechte pad geholpen worden.
vaak
ook kwamen de lotgenoten
voor
een goed gesprek langs,
soms
reeds doorgezakt, vaak ook nuchter en
al
dan niet vergezeld van gezinsleden.
mijn
vader zakte nooit door
en
tegen dat het pasen werd het duidelijk
dat
zijn zaak zou gaan lijden
onder
dergelijke figuren over de vloer.
sindsdien
zagen we ze niet meer
en
mijn vader bleef van de drank.