20120222

kaatje kiek

je wordt voor altijd mijn geluksmoment.
zolang ik leef en bang ben
kan ik verdriet verdrijven
met de herinnering aan jou,
kaatje mijn kukie: zoals jij
tegen mijn gezicht lag
snorrend en strak tegen me aan
en ik helemaal gelukkig
want mooier kon ik het niet verzinnen:
een snorrend tevreden kakeltje
met zijn rug tegen mijn wang,
soms met zijn gezicht
snuffelend in mijn haar,
toucherend mijn wimpers;
soms even fluwelen pootje
tegen mijn wang -wat is er, ka?-.
altijd meedraaien als ik
20 maal per nacht van houding wisselde.
en ik van mijn kant:
altijd ruimte maken voor jou,
een plekje vrijhouden, proberen
stil te liggen; een knuffeltje hier,
aaitje daar en liefhebbende woorden
heel de nacht, ja zuchten van geluk.
nooit boos was ik of geërgerd,
één bonk vertedering
riep je in me op;
meer dan 14 jaar lang
had ik je onafgebroken lief, mijn kaatje.
je was een en al wie je was.

ik draaide de sleutel om,
de deur ging open
de sleutel brak niet af
en dan werd ik iedere keer,
iedere dag soms meermalen
overrompeld door blijdschap.
daar was ik weer daar was jij nog
daar waren we eindelijk
eindelijk samen eindelijk rust.
jij kwam blij aanlopen soms
of keek op van waar bleef je nou,
of je sprong op en liep naar het kleed
en je rekte je en zette je nageltjes,
die je nooit wou slijpen,
erin en snorde en ging plassen
en eten en drinken en strekken
en rennen en snorren.
en ik snorde mee:
voorlopig ga ik niet meer weg, hoor ka,
ik blijf bij je zolang ik kan want
je bent mijn liefste katertje.
en dan kwam je op schoot
en sprong eraf en ging elders
binnen oogbereik genieten en slapen,
mij  zo eindeloos rustgeven, gelukkig maken.
nooit zit ik meer verlegen
om aangename herinneringen.
je verdringt de zeppelin boven zee
terwijl ik op mijn rug in de golven deinde.
je ligt erbij, kaka, er bovenop.

oh kukiemijnkaka
ik mis je in heel het huis:
je gerommel met brokjes
je geslok van het water
je huid tegen mijn benen
je lengte over mijn schoot
je snor, je gesnor
je gedoe op de kattenbak
je teruggetrek bij bezoek
je wegkijkende ogen bij vreemden
je gekauw op plastik tassen
je alerte oortjes, je angst
voor onweer en hoe je, jong nog,
alles liet lopen van angst dan.
je leerde in de kattenbak een veilige plek
te vinden, je kon vuurwerk
onderscheiden van onweer
maar stortregen maakte je wantrouwig.
je bleef afstandelijk kijken
naar iedere vreemdeling, en ook
bekenden mochten je niet te na komen.
ik ging twee maal te ver:
de eerste keer bij de verhuizing.
je beet en krabde me helemaal kapot,
 en nu, nu je in vrede misschien
hier had kunnen sterven,
nu moest ik zo nodig met je
naar de dokter om je te redden
misschien of om je te helpen waarschijnlijk
uit je pijn, je lijden.
je stierf toen ik even
naar huis was gestuurd.
dat spijt me zo, kakamijnka:
ik had je zo graag vastgehouden
tijdens je laatste lieve adem.

je kleedje, je borsteltje
je rieten manden
door het hele huis met behaarde plaids
en kussentjes, met doeken
en truien zodat je lekker lag,
je veilig voelde. ik verwende je,
voorkwam je wensen, verzon speeltjes
en spannende geluiden, rolde met knikkers,
bolletjes wol, draadjes, ik verstopte
snoepjes want jij maakte mij
tot een teder mens, je maakte
me trots op mezelf
in jouw ogen mijn kaatje

waar ik ook was,
vooral in openbaar vervoer
verlangde ik naar jou
naar dat ik de sleutel
omdraaide, die niet afbrak,
en ik riep "koetjekoe!"
en dat je dan kwam
en je uitstrekte,
nagels in tapijt, blij de bak op,
 eten, drinken want je had
op me gewacht zonder verwijt
zonder meer en dan zaten we
bij elkaar op schoot en
nooit nee never
heb je me teleurgesteld

kom je, ka, kom je
riep ik vanuit de slaapkamer.
je kwam nooit meteen.
ik riep het nog en nog,
ik legde het kussen opzij.
dan voelde ik een sprong:
daar was je, je liep
vanaf het voeteneind
naar mijn oor en daar
fluisterde je me toe
je verrukkelijke gesnor.
soms kon ik niet slapen
van blijdschap om jou.

ha kaatje, zeg ik
maar er is geen kaatje.
de rieten manden zijn geschoond
het voer dat je de laatste dagen
niet meer aanraakte
heb ik weggegooid.
je gesnor, je blijdschap,
je schattende blik,
je tegen me aankruipen, je opmerkzaamheid
je afzijdige houding tegen vreemden,
je gesnor oh kaatje mijn kaatje
waar ben je ik mis je.
groet hudel van me en als je durft
ook nikki en de mons en takkie
en bremmetje en blauwe.
en rust in vrede.
ik heb je lief. 

soms zong ik zachtjes
een liedje voor je
van stille volle klanken
je keek me dan aan en spinde
je vond het mooi
het ging over jou
over dat je de liefste
poes van de hele wereld was.
dat begreep je.
instemmend nestelde je je
op mijn schoot.

zie je dat, ka?
zei ik en je zag het
hoor je dat, lief?
en je hoorde het.
ben je blij kaatje?
en je was blij.
kom je bij me slapen?
en je kwam.
wil je wat lekkers?
en je wou wat lekkers
en ik wist zeker dat je
het niet deed of wilde of vond
om mij te plezieren
maar omdat je wist
dat het goed was.
jouw vertrouwen
hield mij in leven.

soms tikte je me aan,
een heel klein mauwtje en ik zag het:
je oogjes, ik moet je oogjes doen.
dan kookte ik water,
je liet je oppakken,
-ging daarvoor klaarstaan-
je kwam op schoot en
ik maakte je oogjes al die jaren schoon
want altijd als je bang was
of in de war, dan lekten ze
en medicijnen hielpen niet.
je liet me begaan
en dan waren ze schoon
en alles kwam in orde.
het leven was zo simpel.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten